
Het arbeidsrecht speelt een belangrijke rol voor de arbeidsmarkt. In het huidige arbeidsrecht ligt de nadruk echter op verplichtingen van de werkgever. Op die manier blijven mensen bij en blijven zij zelf ook wendbaar en beschikbaar op de arbeidsmarkt, zo is de theorie. De bedoeling is dat zowel werkgever als werknemer worden geprikkeld tot continue investeringen in competenties bij een krappe arbeidsmarkt. Iets dat cruciaal is, omdat de beroepsbevolking vergrijst, en de horeca ook de komende jaren (extra) vakmensen nodig heeft. De wetgeving richt zich steeds meer op de individuele rechtspositie van de werknemer ten opzichte van de werkgever (minder opvolgende contracten bepaalde tijd; minder nul-urencontracten, vastleggen van uren en dagen dat kan worden gewerkt, vastzetten van uren en arbeidspatronen; hogere werkgeverslasten bij flexibiliteit versus “zzp”). Zo wordt flexibiliteit ontmoedigd:
KHN vindt dat arbeidsvoorwaardelijke afspraken en regels de arbeidsinzet en productiviteit moeten dienen. De combinatie van werk en privé mag niet leiden tot eenzijdige rechten die slechts afbreuk doen aan inzetbaarheid en productiviteit. KHN ziet dat in de Wet arbeidsmarkt in balans en in het nieuwe arbeidsmarktpakket onvoldoende terug en vindt dat het volgende moet worden geregeld: